Niet meer, maar minder spreiding in effectenportefeuilles (column BNR 24 maart)

Een van de opvallende uitkomsten van de verkiezingen voor de gemeenteraad was de forse winst die lokale partijen boekten. Dat is geen toeval. Ik voorspel dat de lokale democratie nog wel eens een mooie toekomst tegemoet kan gaan. Waar ik dat op baseer? Over 2 maanden zijn de verkiezingen voor het Europese Parlement. De komende maanden zullen we van alle kanten te horen krijgen hoeveel besluiten nu al in Europa genomen worden. Voor sommigen een angstbeeld, voor anderen de logische stap vooruit. Denk maar eens aan het toezicht op onze grote banken, na het bankenunie-akkoord van vorige week is dat nu een geheel Europese zaak. Hoe meer besluiten op Europees niveau worden genomen, hoe belangrijker de lokale gemeenschap wordt. Niet de natiestaat is toe aan een revival, maar de Bourgondische stadsgewesten.

Ook op financieel gebied zie je allerlei lokale initiatieven. VPRO’s Tegenlicht filmde onlangs het succes van het Bristol-pound in het Engelse Bristol. Je kan er lacherig of badinerend over doen, maar er zitten overduidelijk zeer interessante aspecten aan. Hetzelfde geldt voor allerlei vormen van lokale crowdfunding. Ik kan er over meepraten. Ik heb een lening van de lokale bakker overgenomen van de ING. We varen er allebei wel bij.

Vorige week werd bekend dat beursbedrijf TOM haar eigen index wil gaan introduceren. De NL20-index. Deze nieuwe index moet een veel lokaler karakter gaan krijgen. Daar is veel voor te zeggen. Ik heb echt geen idee waarom het Egyptische beursfonds OCI opgenomen is in de AEX-index. De AEX staat voor Amsterdam Exchange Index en dat is precies wat TOM wil bereiken. Met aandeelhouder BinckBank, marktleider onder particuliere beleggers, maken ze zeker een kans om dit laatste bolwerk van Euronext te slopen.

Als particulieren een spreiding willen aanbrengen in hun portefeuille, dan zijn er binnen Europa twee zeer representatieve indices beschikbaar, namelijk de Eurostoxx 50 en 600. Wat ontbreekt zijn aanspreekbare lokale indices, die niet elk jaar op stel en sprong van samenstelling veranderen. Het succes van de DOW is mede bereikt omdat die index maar sporadisch van samenstelling verandert.

Het Financiële Dagblad trekt in een hoofdredactioneel artikel de verkeerde conclusie. De krant vindt de TOM index niet zo relevant, omdat beleggers er verstandig aan zouden doen om meer Europees te beleggen. Ik denk dat deze  index juist een succes wordt, omdat particuliere beleggers op zoek zijn naar indices met mínder spreiding.

 

 

 

 

 

ING is terecht bang voor Google (column BNR 17 maart 2014)

Wat een ophef vorige week over een proef van ING om op basis van een analyse van het individuele betalingsverkeer van de klant een relevante niet-bancaire aanbieding te doen die past bij het bestedingspatroon van de klant. De inkt van het persbericht was nog niet droog of iedereen had al een mening klaarstaan en die was ronduit negatief. De moderne media: eerst schieten, dan kijken. De bank zou de intieme klantgegevens verkopen, de bank zou het voordeel volledig voor eigen gewin gebruiken, de bank zou op basis van de privacy-wetgeving dit niet mogen doen. Later bleek dat de werkelijkheid veel genuanceerder lag. De data worden niet verkocht en klant gaat meedelen in de winst. De politici maakte het helemaal bont. Eensgezind werd gekakeld dat er sprake was van een hellend vlak. D66 Kamerlid Verhoeven legde mij via twitter zelfs de vraag voor dat ik een keuze moet maken tussen een betrouwbare bank of een commerciele datahandelaar. Er komen zeker verkiezingen aan.

Ik sta positief tegenover het voorstel. Natuurlijk bagatelliseer ik het privacyvraagstuk niet. De klant moet een zeer expliciete keuze kunnen maken en op elk moment de bank kunnen verzoeken te stoppen met deze dienstverlening. Wegen de voordelen, het bieden van financieel voordeel bij de aankoop van niet-bancaire producten op tegen het verlies van privacy? Als je de bank ziet als een “trusted advisor” en zo zie ik mijn bank, dan wil ik graag meewerken aan deze proef, want vooralsnog is het niet meer dan een proef.

De inhoudelijke discussie is echter net zo interessant. Is dit het nieuwe verdienmodel voor consumentenbanken? Op een BNR congres in 2011 met als titel “wat als Google een bank begint” voorspelde ik deze ontwikkeling. Waarom zou een bank zich de kaas van het brood laten eten door de Google’s en Facebooks van deze wereld en achterblijven met de kruimels? Alles draait om het contact met de klant en banken moeten oppassen niet alleen de administratieve verwerkingseenheid te worden.

Toch was ik verrast door de timing van ING en de iets te grote woorden van ING. Deze proef slaagt alleen als er vertrouwen is in de banken en die is er nog niet. Niet in de banken in het algemeen, maar zeker ook niet in ING. Want juist de grootste verwerker van betalingen heeft haar kernactiviteit niet op orde. Eind februari was er nog sprake van een grote storing. Mijn advies aan ING: zorg ervoor dat er minimaal 2 jaar geen storingen zijn en kom pas terug in de publiciteit als er resultaten van de proef zijn.

Transparantie en verantwoording (column BNR 10 maart 2014)

Vorige week  sprak ik mij kritisch uit over een rapport van de AFM over de dienstverlening van vermogensbeheerders in het kader van advies en beheer. Ik had twee punten van kritiek. Samengevat: er werden geen namen genoemd van beheerders die niet aan de eisen van  de AFM voldoen en ik vond de steekproef van 142 dossiers wat aan de magere kant.

De column ging feitelijk om transparantie en verantwoording. Ik was daarom blij verrast dat de AFM de moeite nam om op de website een reactie te geven. De AFM geeft aan dat de Wet op het financieel toezicht bepaalt dat de AFM de namen van individuele vermogensbeheerders niet mag noemen. Natuurlijk, de AFM moet zich aan de wet houden, maar des te meer reden om het rapport binnenskamers te houden en intern druk te zetten op de beheerders om de kwaliteit te verhogen. Want hoe je het ook wendt of keert, de goede vermogensbeheerders worden nu in dezelfde hoek gezet als de slechte beheerders. De 16-eeuwse bankier Gresham schreef het al op: “bad money drives out good money”.

Het is niet mijn bedoeling om via deze BNR-column een discussie met de AFM te voeren, maar het toeval wil dat vorige week onze andere financiele toezichthouder, de Nederlandsche bank, haar 4-jaren visie op het toezicht uitbracht. En wat schrijft DNB? Zij wil meer informatie publiceren over de financiele gezondheid van individuele instellingen. Daardoor zal het eenvoudiger worden om financiele instellingen met elkaar te kunnen vergelijken. Volgens het Financiele Dagblad is het Ministerie van Financien bereid hiervoor de wet aan te passen.

De roep om meer transparantie, nu dus ook door mij, zal de toezichtshouders echter wel doen balanceren op een hele dunne lijn. Bankieren is vertrouwen en 1 verkeerd bericht kan een bankrun teweeg brengen. Denk nog maar eens aan die uitspraak van Lakeman over DSB in Goedemorgen Nederland.

Het is te hopen dat de actie van DNB niet alleen maar voor de buhne is, want als de bankencrisis 1 ding aan het licht heeft gebracht is dat DNB ernstig tekort is geschoten in haar toezichtstaken. De rapporten van Scheltema over DSB en van Frijns/Hoekstra over SNS Reaal, maar ook de verhoren van de Commissie de Wit, waren overduidelijk. De toezichthouder koos te vaak de kant van de banken.

Openheid geven over het toezicht is goed, maar de kwaliteit van het toezicht verhogen, is belangrijker. De toekomstvisie van DNB zijn mooie woorden, nu de daden.

 

 

Reactie AFM op mijn blog van 3 maart op BNR over rapport van AFM over advies en beheer

De AFM heeft op haar website gereageerd op mijn gesproken column op BNR. Of het een ‘slecht’ rapport is, mag ieder voor zich bepalen!

hier is de link: http://www.afm.nl/nl/professionals/afm-actueel/nieuws/2014/mrt/blog-tim-mortelmans.aspx

 

en hier is de tekst:

“Afgelopen vrijdag heeft de AFM een rapport over de kwaliteit van beleggingsdienstverlening van enkele banken en beleggingsondernemingen gepubliceerd. In zijn column voor BNR plaatst Peter Verhaar hier twee kanttekeningen bij, waar wij graag op in gaan.

Waarom noemt de AFM niet man en paard? Door het achterwege laten van namen van de onderzochte ondernemingen snapt de consument niet wat hij met het rapport aan moet, aldus Verhaar. Daar zit natuurlijk iets in. Wij koppelen inderdaad geen namen aan de partijen waar het onderzoek is gedaan. Daar is echter een hele goede reden voor. Als toezichthouder heeft de AFM namelijk een geheimhoudingsplicht. Deze is vastgelegd in de Wet op het financieel toezicht (Wft). De Wft bepaalt dat alle vertrouwelijke gegevens en inlichtingen die de AFM door haar toezicht heeft verkregen, geheim zijn. Die mogen we dus ook niet opnemen in rapporten. Als we wel namen zouden noemen zouden we bovendien alleen een oordeel geven over partijen die onderzocht zijn, niet over de hele markt. En dan blijft het beeld onvolledig voor de consument.

Omdat het in sommige gevallen wel van belang kan zijn om namen te noemen, hebben wij er overigens, net als de Nederlandsche Bank, wel bij het ministerie van Financiën op aangedrongen om deze geheimhoudingsplicht te beperken.

Daarnaast meent Verhaar dat het onderzoek niet representatief is omdat gemiddeld 11 van de tienduizenden dossiers van de grote banken in het onderzoek zijn betrokken. Het aantal dossiers zegt alleen niet direct iets over de representativiteit. Uiteraard zijn de dossiers op zo’n manier gekozen dat ze wel representatief zijn voor de manier van werken binnen een bepaalde beleggingsonderneming. Ook hebben wij uigebreid met de betrokken partijen gesproken. De AFM is dus niet op zoek gegaan naar de ‘slechte dossiers’.

Daar komt bij dat de banken en beleggingsondernemingen zelf ook erkennen dat de uitkomsten van het onderzoek wel degelijk een goed beeld geven. Zij hebben zelfs al toegezegd dat zij de kwaliteit van beleggingsdienstverlening zullen verbeteren. Dat gaat de klant echt helpen, die heeft geen belang bij een ranglijst, maar wel bij een gevoel dat op zijn minst de basis overal klopt.

Een aantal partijen heeft al verbetermaatregelen geïmplementeerd. De kwaliteit van de beleggingsdienstverlening is vanaf dit jaar nog belangrijker geworden, nu klanten rechtstreeks gaan betalen voor advies na invoering van het provisieverbod voor beleggingsondernemingen.

Net als Verhaar vinden wij het zeer wenselijk dat financiële ondernemingen zich verbonden verklaren aan de uitspraken van de geschillencommissie van het Kifid. Dit is alleen geen wettelijke verplichting. Wij vinden het daarom in het belang van de consument dat hij - van tevoren – weet of een financiële onderneming zich verbonden heeft verklaard aan de uitspraken van het Kifid als hij een dienst of een product van die onderneming afneemt.

Tim Mortelmans “

Kantekeningen bij een slecht AFM rapport (column BNR 3 maart 2014)

Vorige vrijdag publiceerde de AFM met veel bombarie een rapport over de dienstverlening van vermogensbeheerders met betrekking tot advies en beheer voor vermogens boven de 100.000 euro. De conclusies waren niet mals. De AFM heeft van 13 vermogensbeheerders 142 dossiers onderzocht. De voornaamste conclusies zijn: weinig inzicht in de risico’s en de kosten van producten en onvoldoende waarborg op passendheid van het advies. Tsja, daar gaat het nu juist allemaal om.

Ik wil bij het rapport 2 kanttekeningen maken. Volgens de AFM zijn er beheerders die het goed doen en beheerders die maar wat aanmodderen, maar de AFM noemt niet man en paard. Hoe kan ik dan als consument mijn conclusies trekken en overstappen naar een goede beheerder? Kortom, ik snap niet wat ik als consument met het rapport aan moet.

Mijn tweede punt van kritiek betreft de steekproef. Gemiddeld 11 dossiers per vermogensbeheerder. Hoeveel dossiers hééft een ABN AMRO of  RABO?  Tienduizenden? Kortom, hoe representatief is de steekproef . Zijn  dit particulieren of semi-professionele beleggers? In hoeveel dossiers was sprake van een persoon als adviseur in plaats van de computer? En hoe is meegewogen dat de klanten zelf de beheerder vaak te bemoeizuchtig vinden en daarom geen volledige medewerking willen verlenen.  Dit is van belang want de koppen in de media waren eensluidend: de vermogensbeheerders stellen de klant niet centraal. Gevolg: de hele sector wordt in het beklaagdenbankje gezet. Begrijp mij niet verkeerd, het onderzoek is noodzakelijk, de onderzochte dossiers spreken natuurlijk voor  zich, alleen zonder concrete namen had  het rapport  binnenskamers moeten blijven.

De timing is wél interessant. Er doemen al weer berichten op over beleggen met geleend geld en ik zie ook weer exotische productnamen voorbij komen. Beleggingsfondsen die beleggen in junkbonds zijn zeer populair. En dan lees ik ook dat sommige vermogensbeheerders niet meer aan uitspraken van het  klachteninstituut KIFID gebonden willen zijn. Voor particuliere beleggers met een klacht is het KIFID een essentieel laagdrempelig loket. Daarom moeten de vermogensbeheerders niet alleen de aanbevelingen van de AFM ter harte nemen, maar ook de gang naar het KIFID pro-actief ondersteunen. Een beheerder die het beste met de klant voor heeft, kan daar geen problemen mee hebben.

En dan hoor ik de laatste tijd ook veel radiospotjes van een aanbieder van een alternatieve belegging die volgens de risicometer van de AFM een laag risico inhoudt, terwijl het prospectus zelf rept van een risico van 100%. Ik ben erg benieuwd hoe de AFM over 20 jaar tegen dat dossier aankijkt als de beheerder de belegging heeft ondergebracht in een zeer defensieve portefeuille. Dan maar hopen de klant naar het KIFID kan.

 

 

 

 

 

het gaat om de liquiditeitsbuffers (column BNR 24 februari 2014)

De bankendiscussie gaat de laatste maanden vooral over de buffers die banken zouden moeten aanhouden. Zeg maar de solvabiliteit van de banken. Zeker, dat is een belangrijke discussie want we willen niet dat de rekening van de volgende bankencrisis weer bij de belastingbetaler terecht komt. De richtlijnen voor de buffers komen  van de BIS, de Bank for International Settlements uit Bazel, vandaar dat die richtlijnen in de volksmond Basel I,II en III worden genoemd. De BIS stelt echter ook liquiditeitsregels voor banken op en die zijn even belangrijk, zo niet belangrijker, want banken komen pas echt in de problemen als de pinautomaten leeg zijn. Daarom moeten banken voldoende liquide middelen hebben om een ´bankrun´ van 1 maand te overleven.

Een minder tot de verbeelding sprekende liquiditeitsrichtlijn is de ´Net Stable Funding Ratio´. Volgens deze maatstaf moeten langlopende uitzettingen worden gedekt met langlopende, stabiele financiering. De richtlijn heeft grote consequenties voor de Nederlandse banken. Die kampen immers met een ´funding gap´. Onze banken besloten hun balans vol te proppen met hypotheken en dat zijn langlopende uitzettingen. Het was ook lekker gemakkelijk, de overheid is door de Nationale Hypotheek Garantie achtervanger en via de hypotheek kon de consument gegijzeld worden door de bank. Probeer je betaalrekening maar eens naar de concurrent over te zetten als je een hypotheek aan de bank hebt verstrekt.

Het addertje zit in de funding. Banken hadden en hebben te weinig echt stabiel spaargeld, dat zit namelijk bij de pensioenfondsen. En het resterende spaargeld was ook nog eens relatief duur omdat kleine banken, geholpen door het depositogarantiesysteem, een hoge spaarvergoeding konden geven. En dus trokken de banken kortlopend geld aan op de interbancaire markten. En we hebben gezien waar dat toe leidde in 2008.

Banken moeten nu maatregelen nemen en accepteren een lager marktaandeel in hypotheken. En verzekeraars claimen weer hun positie. Dat is volkomen logisch en een goede zaak. Verzekeraars hebben langlopende verplichtingen en willen daarom langlopende beleggingen. Voor 1980 hadden we nog gespecialiseerde hypotheekbanken, die vervolgens werden overgenomen door de verzekeraars Aegon en Nationale Nederlanden. Wat mij betreft mag de hypotheekbank weer terug komen. Zij kunnen dan pandbrieven uitgeven die gekocht kunnen worden door verzekeraars, pensioenfondsen en particulieren die op zoek zijn naar een hoger rendement.

Banken kunnen zich dan weer richten op hun kerntaak, het verstrekken van veelal kortlopende leningen aan bedrijven, gefinancierd door kortlopende deposito´s. Het financiele systeem wordt er diverser en stabieler van. Zo zie je maar, soms kunnen we nog echt iets leren van de geschiedenis.

 

 

De rente op de staatsschuld is helemaal niet hoog (column BNR van 17 februari 2014)

Op 2 september 2013 hield Minister President Rutte de H. J. Schoo lezing, u weet nog wel, Rutte deed die vrij lange lezing uit het hoofd en achteraf was dat opmerkelijke feit het belangrijkste wat bleef hangen in de media. In de lezing waarschuwde Rutte ons voor een te hoge staatsschuld. Niet alleen omdat ook Nederland zich Europees verplicht heeft om onder de 60% norm te blijven., maar ook omdat wij volgens Rutte veel te veel rente betalen op die schuld.  Rutte noemde een nominaal bedrag van 11 miljard en dat klinkt inderdaad veel. En dan zegt Rutte ook nog eens dat die rentelast oploopt, kortom de angst slaat mij in de benen.

De Minister President  is een meester met woorden. Die 11 miljard klopt natuurlijk, alleen wat zegt het eigenlijk? In percentages van het bruto binnenlands product staat de rentelast op het laagste niveau in meer dan 40 jaar. En relateren aan het BBP is veel informatiever, want je moet er toch van uit gaan dat de overheid iets nuttigs doet met de staatsschuld en dus een bijdrage levert aan het BBP. En ook in percentages van de uitstaande staatsschuld daalt de te betalen rente. In 2008 was het 2,9%, in 2012 stond het percentage op 2,4%.

De Schoo-lezing schoot mij te binnen toen deze week het Agentschap aankondigde om weer een 30 jarige lening uit te geven. De coupon is slechts 2,75%. De laatste 30 jarige lening stamt uit 2010 en had nog een coupon van 3,75%.  30 jaar lang slechts 2,75% rente betalen, wat een weelde voor onze Staat.

Toch blijft het financieringsbeleid van de overheid voor mij een raadsel. De gemiddelde looptijd is slechts 7, 2 jaar. En het Agentschap lijkt niet van plan om meer 30 jarige leningen of zelfs 50 jarige leningen uit te geven. Zou de Staat soms verwachten dat de rente nog verder gaat dalen?

Dat zou dan zeer onprettig nieuws zijn voor de spaarders. Er staat toch nog altijd z’n 380 miljard op spaarrekeningen, het merendeel op internetspaarrekeningen en deze spaarrente daalt mee met het overheidstarief. Afgelopen week was er weer een rondje afwaardering. RABO vergoed nu niet meer dan 1.1%. Na spaarbelasting en inflatie, die gelukkig nog laag is, een negatief rendement.

En dan legde Reuters ook nog beslag op een EU-notitie waarin voorstellen worden gedaan om meer spaargeld richting bedrijven te sturen, waarbij de banken worden gepasseerd. Sommigen denken natuurlijk direct aan een Europees complot, nationalisatie van spaargeld of zoiets. Nee, het is allemaal veel alledaagser. Het beleid van de ECB om de korte rente laag te houden, zal spaarders wel dwingen hun geld op te nemen.

 

 

Zichtbare bankiers (column BNR 10 februari 2014)

Ik heb mij op deze plaats vaak afgevraagd waarom de banken en hun topmanagement zo stil zijn in het publieke debat, terwijl het toch echt over hun sector en hun huidige en toekomstige businessmodel gaat. Wellicht hebben ze het advies van hun beleggingsafdeling ter harte genomen -stilzitten als je geschoren wordt. Of ze denken dat hun traditionele strategie – lobbyen doe je in stilte-  haar werk zal doen. Of speelt er wat anders?

PVDA kamerlid Henk Nijboer zei onlangs: de bankiers kunnen praten of zwijgen wat ze willen, maar wij hier in de Kamer beslissen. Dat zou Nijboer wel willen, de realiteit is anders. Ja, de politiek heeft een belangrijke stem, alleen niet meer op nationaal niveau. Sinds 2009 wordt meer en meer bankenregelgeving op Europees niveau geregeld, zoals bijvoorbeeld bankenstresstesten en de kwaliteit en kwantiteit van de bankbuffers. En onze zeven grootste banken worden eind dit jaar door de ECB beoordeeld en niet door DNB.

En dus probeert de nationale politiek te redden wat er te redden valt. Zo wil Dijsselbloem een loonwet voor banken waardoor de variabele beloning mag niet meer zijn dan 20% van vaste salaris. Maar er is ook nog een klein gaatje. Tot 2018 staat de hoogte van de Leverage Ratio open voor discussie. Europa stuurt aan op 3%, Dijsselbloem wil graag 4%, sommige wetenschappers praten zelfs over meer dan 20%.

En de laatste weken vindt hierover een vinnig debat plaats tussen de wetenschap, de politiek en de banken. Ja, de banken. De kar wordt getrokken door Nagel, lid van de Raad van Bestuur van ING en in zijn kielzog Oostendorp van SNS Reaal. Achtereenvolgens gingen zij de strijd aan met de professoren Boot, Van Wijnbergen en Van Engelen.  En dat ook nog eens in discussiecentrum De balie, zodat wij allemaal konden meekijken.

Dit is een positieve ontwikkeling. In de eerste plaats omdat banken zichtbaarder worden en dat is broodnodig. Maar wellicht belangrijker, Nagel praatte niet met meel in de mond over ING en daarmee werd het debat plotseling heel concreet en tastbaar. ING heeft het voor haar donkerste scenario berekend en komt dan op 6%. En Nagel stelde klip en klaar dat het een illusie is te denken dat een bank nooit failliet kan gaan. Maar ook dat bankkrediet verworden is tot heroine voor de economie.

Deze openheid van de bankiers moeten we niet laten lopen. Dus moeten we er nu voor waken dat de openheid gesmoord gaat worden in zure kritiek op banken. Het debat in de Balie smaakt naar meer, veel meer.